Admin · Autoflow

Autoflow-runs: van runstatus naar resultaat per node

Autoflow-runs is het tenantbrede observatiescherm voor automations. Je ziet handmatige tests, geplande runs en event-runs in één overzicht en kunt daarna iedere uitgevoerde node openen.

1. Toegang en tenant-scope

2. Overzicht, KPI's en filters

KPI-kaarten

De kaarten tonen aantallen runs, successen, fouten, actieve runs, gemiddelde duur en het totaal aantal uitgevoerde nodes binnen het huidige filter.

Filters

Filter op Autoflow-ID, status of bron. Bronnen onderscheiden onder meer handmatige tests, scheduler-runs en event-runs.

KolomBetekenis
TijdMoment waarop de runner de run startte.
AutoflowNaam en stabiel automation-ID.
BronTest, schedule, event of andere runnerbron.
Statusrunning, success of error.
DuurTotale doorlooptijd van de run.
NodesUitgevoerde nodes tegenover nodes in de definitie.
ActiesAantal action- en terminal-resultaten van de run.
GebruikerEffectieve gebruiker waaronder datasource- en tooltoegang is uitgevoerd.

3. Wat staat in een run-detail?

Run-samenvatting

Run-ID, Autoflow, bron, status, starttijd, duur, gebruiker en node-aantal. Foutdetails zijn zichtbaar wanneer de datasource-scope dit toestaat.

Node-route

Volgorde, node-type, geselecteerde condition-branch en de IDs van downstream nodes.

Node-timing

Status en duur per node maken het traagste of falende onderdeel direct zichtbaar.

Input en output

De context vóór en na uitvoering, inclusief filters, metric/math-values, LLM-traces en geschiedenis.

Resultaten

Action-, notificatie- en terminal-resultaten die door de betreffende node zijn geproduceerd.

Configuratie

De nodeconfiguratie zoals die tijdens de run beschikbaar was, begrensd en veilig gelogd.

4. Aanbevolen diagnoseworkflow

  1. Filter eerst op de betreffende Autoflow en open de meest recente fout of opvallend trage run.
  2. Controleer de runbron en de effectieve gebruiker; geplande runs kunnen anders zijn gescoped dan jouw huidige sessie.
  3. Loop de nodes in volgorde langs en zoek de eerste node met status error.
  4. Vergelijk Input en Output om te zien welke context de node toevoegde of veranderde.
  5. Controleer bij conditions de gekozen branch en de downstream node-IDs.
  6. Bekijk bij action nodes het tabblad Resultaten voor afleverstatus of terminal output.
  7. Corrigeer daarna de flow in Autoflow, voer een handmatige test uit en controleer de nieuwe run naast de oude.

5. Bewaring, redactie en limieten

6. Verwante documentatie